Vogels, in een verheven wereld?

 

 

Omdat morgen de sterfdag van zijn geliefde Paulien is, plaats ik dit gedicht van vader Feico. Hij schreef het in 1990 voor een ander lief stel. Ik hoor het hem nog voordragen op hun bruiloft.

De remous-boef, alias albatros,

zweeft hoog-verheven, onbekommerd,

meterwijd uitgestrekt, over de schuimkoppen

van Hokusai, ongemoeid door de branding.

Wel gemoeid door ’t snavelbekkend kroost

en vrouwelijke tegenpool op aard:

‘Zie ik zo blauw, ik houd van jou!’

 

Evenzo eenzaam, doch verheven

door krachten van Moeder Natuur,

zweeft spreid-vleugelig de Condor.

Schijnbaar onberoerd door de Panfluittonen

van ’t Incavolk maar toch ook hij,

nederdalend op zijn horst, belijdt zijn credo:

‘Zie ik zo blauw, ik houd van jou!’

 

Evenzomin ontkomt de roofbuitjager,

Ahrend is der Nahme, wanneer hij zijn

vingers spreidt, aan de bergspitsrealiteit.

Ook al stort hij zich in een vrije val

op de spits- of huismuis, egel of rat

en brengt deze naar zijn liefste schat, het blijft:

‘Zie ik zo blauw, ik houd van jou!’

 

Als we alles hebben gehad,

komt alsnog de fregatvogel overzetten,

onbewogen zijn schaduwen werpend

over de zonnekinderen, volgegoten met Bacardirum,

waar op de label, aan de duidelijkheid

niet te wensen overlatende tekst:

‘Zie ik zo blauw, ik houd van jou!’

 

Tenslotte, liggend in de stoel der tuinen,

zie ik zwilk-zwalkend de zwaluwen struinen,

zwirrelend door het ijblauwe zwerk.

Maar ook  hier ’t is sterk

moegestreden van de insectenjacht,

wordt wederom, onder de goot, beleden:

‘Zie ik zo blauw, ik houd van jou!’

 

Waarom zou het mensenkind

van de hemelbewoners niet iets leren

en de roep der zwanen en kranen niet proberen?

Dansend op het tikkend ritme van hun tenen,

schepsels van het verbond, genaamd creatie,

als herauten van een nieuwe generatie:

‘Zie ik zo blauw, ik houd van jou!’